De vrouw van 8.20u

Elke zaterdag staat er om 8.20u een vrouw te wachten op de bus bij de bushalte voor mijn huis. Ze maakt een nerveuze indruk omdat ze steeds al haar zakken en rugzak controleert. Ze maakt hierbij gebruik van een lijst waarop ze alles afvinkt. Het zijn vijf velletjes papier die elk na controle in de prullenmand worden weggegooid. Door het dragen van een mondkapje en de stress beslaat haar bril. Soms is de lijst nog niet helemaal afgewerkt als de bus komt en dan stopt ze de overgebleven blaadjes in haar tas.

Als bus 77 naar Nieuwegein gekomen is stapt ze niet in maar gaat weg, waarschijnlijk weer naar huis.

Het is een merkwaardig ritueel om de dag te beginnen. Wil ze graag op reis gaan maar komt ze steeds niet verder dan de bushalte? Of is dit een manieren controle te houden op haar leven. Niets is zo gestructureerd als op reis gaan. Het is een systeem dat eindeloos herhaald kan worden. Af en toe wat kleine aanpassingen naargelang de bestemming of het seizoen.

Ik word wakker op zaterdagochtend en doe de gordijnen open. Ik zie de vrouw van 08.20u bij de bushalte staan.

Gedroogde viooltjes

Vanochtend vond ik een enveloppe die onder mijn deur was doorgeschoven. Enigszins verbaasd en gespannen maakte ik hem open. Er zat een handgeschreven brief in. Ik moest hem twee keer lezen voordat het tot me doordrong wat er in stond.

Je wilde weten hoe ik me voelde zodat je beter kon begrijpen wat jezelf voelde. 

‘Als ik naar je kijk dan zie ik angst in je ogen. Maar angst waarvoor, het heden, het verleden of de toekomst. Een pad dat breder wordt of juist alleen maar smaller zal worden? Je glimlacht steeds naar me, maar er is een terughoudendheid in. Alsof je twijfelt of je wel mag laten zien dat je me opmerkt….’

Toen ik de brief in de enveloppe terug deed zag ik dat er zaten er gedroogde viooltjes in zaten. 

Tekst geïnspireerd door het liedje “Un ramito de violetas” van Cecilia uit 1975

Autodroom

Nog nooit in mijn leven ben ik zolang niet op vakantie geweest. Ik heb ook nooit kunnen bedenken dat het onmogelijk is om Nederland te verlaten. Het voelt alsof ik er geen einde aan de pandemie lijkt te komen. Nu het langzaam aan het mogelijk wordt om te reizen, mijmer ik weer over gemaakte reizen. 

Vanochtend werd ik wakker met het woord ‘autodroom’ in mijn hoofd. Ik heb vannacht niet gedroomd over een vakantie maar dacht aan de gelijknamige dichtbundel uit 1954 van de dichter Gerrit Achterberg. Inderdaad de man die zijn hospita vermoordde toen hij in Utrecht studeerde en hiervoor TBS kreeg.

In deze bundel staat het gedicht Riviéra. Het doet me denken aan de vakanties die ik als kind met mijn familie in Italië doorbracht. Het magische moment vond ik altijd als we met de auto de kust bereikten. We reden langs een azuur blauwe zee en rotsen met bomen vol met bloemen. Meanderend over de kronkelige weg. 

Riviéra

De helling schuift met bloemkastelen dicht.
Wegen die ik niet wist dat verder konden
hebben hun col de wolken in gevonden
naar deze zee waar het zuiden ligt.
Ik overstroom van louter vergezicht. 
Tegen het Estérelle-gebergte ronden
de blauwe baaien zich op kristalgronden. 
Tot in Italië schijnt het zonlicht.
De auto klimt en daalt in de rotonde
en open galerijen van de lucht
spijlen trekkend door het hemelhuis.
De lange vasteland-cadans ontbonden,
komt het reisbeeld tot staan onder zijn vlucht.
Wij stappen er in uit. De Wereld ruist.

Gerrit Achterberg, Autodroom 1954

Overpeinzing

Ik ben bang dat ik het ogenblik van geluk 
niet meer zal kunnen vastgrijpen.

Dat het me zal ontglippen
als ik er naar uitreik met mijn handen.

Als een vlinder die je zou willen vangen
terwijl je tegen het zonlicht inkijkt.

Alleen nog het zoemen van de bijen hoort, en
de ritselende bladeren die spelen met het licht.

Toch zal ik me laten leiden,
naar nieuw momenten van geluk.